Mensen communiceren voor een belangrijk deel in taal.
Wat je wilt overbrengen moet je uitdrukken in zinnen. Dat is een
ingewikkeld proces: om betekenis vorm te geven maak je o.a. gebruik
van zinsbouw, woordkeus, intonatie. Kies je een lijdende zin of een
bedrijvende? Welke woordvolgorde gebruik je? Schreeuw je het uit of
fluister je het zacht voor je heen? En welke woorden kies je? Heb je
het over een schijtmachine of over de trouwe viervoeter? Het kan ook
veel subtieler: gebruik je een koosnaam voor je geliefde, en wat
zegt die koosnaam over je relatie? Wanneer gebruik je die wel en
wanneer niet?
De manier waarop je een boodschap in taal codeert
wordt wel framing genoemd. Framing door middel van
woordkeus is lexical framing en dat is het onderwerp van deze
cursus. In lexicale bronnen wordt een poging gedaan de woordenschat
van een taal te beschrijven. Daar zou je dus moeten kunnen vinden
hoe je in bijvoorbeeld het Nederlands aan lexical framing
kunt doen. Wij gaan in het bijzonder kijken naar moderne
elektronische bronnen zoals WordNet en FrameNet, naar (parallelle)
corpora en naar lexicale bronnen die ergens tussen de lexica en de
corpora inzitten. Onze invalshoek is meertaligheid, we besteden veel
aandacht aan de manier waarop lexical framing in talen
onderling verschilt. Onze invalshoek is ook de objectivisering
van betekenis in electronische kennissystemen zoals ontologieën
en het Semantic Web, waarin computers talige informatie nuttig
kunnen gebruiken. Lexical framing is daarin belangrijk om computers
om te leren gaan met de enorme variatie in talige uitdrukking van
informatie.
Lexical framing is een uitdaging van formaat voor de
taaltechnologie, zowel in mono- als multilinguale omgevingen.
Daarbij kun je bijvoorbeeld denken aan automatisch samenvatten,
information retrieval en tekstgeneratie voor
informatiesystemen. In de tweede helft van de cursus kies je zelf
een onderwerp dat relevant is voor jouw specialisatie.
Het eerste deel van vijf punten is vooral theoretisch
van aard; we bespreken het lexicon in de taalwetenschap en de
taaltechnologie en relevante lexicaal-semantische en
cognitief-taalkundige achtergronden. Daarnaast maakt de student
kennis met de hierboven genoemde bronnen.
In het tweede deel krijgt de student de gelegenheid de nieuw
verworven kennis toe te passen op een onderwerp uit de eigen
specialisatie. Dat betekent dat de student een specifieke
theoretische verdieping aanbrengt en een voorstel doet voor een
specifieke toepassing van een bestaand lexicon, of het maken van een
gespecialiseerd lexicon. Of misschien kies je voor een ander
informatiebron dan een lexicon, zoals een ontologie of een
corpus-gebaseerd databestand.